Gewenst gedachtegoed

Zijn stralend lachen doet gedachten strelen,
wanneer hij gunsten af te vleien tracht.
Het lukt hem zonder wetenschap van macht.
Hij wil met oma op de zolder spelen.

Dat past mij goed, ik zal het niet verhelen.
Ik heb vandaag aan werkend zijn verpacht
en laat de stapel zien, die op mij wacht.
Hij zal bij mij toch ook de aandacht stelen.

Geruisloos komt hij binnen en ik hoor:
Ik weet wel opa, dat je werken moet
en zal heel zachtjes zijn, dat ik niet stoor;
ik wil alleen maar kijken wat je doet.
Zo streelt hij denken via oog en oor
en vormt het tot gewenst gedachtegoed.