Het gaande en het staande werk

Daar bij die molen zal als melodie
bij zicht op wieken immer blijven scoren.
Ze draaiden voor het water, hout en koren.
Ik denk bij wat ik in gedachten zie.

Het gaande werk in goede harmonie
met al het staande deed de vakman gloren.
Helaas, dat mooie ambacht ging verloren.
Ik voel de generieke sympathie.

Zo dwaal ik dromend langs een polderdijk
en denk vanuit een onbesmet gemoed.
Gedachten komen over soortgelijk
en over onze tijd van haast en spoed.
De molens Gods, ja, in het Hemels Rijk,
die malen langzaam, maar ze malen goed.

Gottes Mühlen mahlen langsam
mahlen aber trefflich klein.
[Friedrich Freiherr von Logan]