In vierenveertig was ik in Maastricht

Wee mij, die voor een after dinner zwicht;
ik word verwezen naar een kaal terras.
Hij groet mij lachend met geheven glas;
een rijzig man, een aangenaam gezicht.

Zijn weinig woorden worden opgelicht
door humor, die ik in zijn ogen las;
en zijn reactie op mijn herkomst was:
‘In vierenveertig was ik in Maastricht.’

Ik hoor zijn korte zin als monument,
zie beelden van een halve eeuw geleden.
Hij is met Indian Summer toch content
al kwam de vredespijp in ongerede,
en zegt: ‘Je strijdt op ieder continent
met aan de wet verslaafde overheden.’